Van de heesters die lange, slappe takken hebben, is een aantal geschikt als leiplant. Alle leipheesters moeten stevig worden aangebonden omdat ze geen klimorganen hebben. Ze laten zich het beste toepassen tegen een muur of schutting.

Winterjasmijn

Eén van de bekendste leiheesters is winterjasmijn, Jasminum nudiflorum. Bloeit vanaf eind november tot in maart, onderbroken door eventuele vorstperioden. Als de leiheester erg groot wordt kunnen de oudste takken helemaal worden weggesnoeid.

Andere leiheesters

Een oude bekende leiheester is de Cotoneaster horizontalis, die vooral sierwaarde heeft door z’n oranjerode besjes. Eveneens vanwege de bessen kan vuurdoorn (Pyracantha) worden aangeplant en geleid. De oranjegele ‘Golden Charmer’ is een aanrader, evenals ‘Orange Charmer’ met grote kleurrijke bessen.

Wie van zachtblauw houdt kan voor Amerikaanse sering (Ceanothus) kiezen, bloeit in mei-juni. Ook de witte Japanse dwergkwee, Chaenomeles japonica ‘Alba’ is mooi als leiheester, heel apart. Van kardinaalshoed komt de bladhoudende soort Euonymus fortunei als wintergroene leiheester in aanmerking. Het blad is goud- of zilverbont. Grootbladig: ‘Sunshine’ (goudbont), ‘Emerald Gaiety’ (zilverbont); kleinbladig: ‘Emerald ‘n Gold’ (goudbont), ‘Variegatus’ (wit, ‘s winters rood aangelopen).

Klimroos

Nog een voorbeeld van een leiheester is de klimroos die beter leiroos zou kunnen heten. Rozen haken zich wel enigszins met hun stekels aan oneffenheden vast, maar echt klimmen doen ze niet, ze maken alleen extreem lange scheuten die kunnen worden geleid en vastgebonden op plekken waar u dat wilt.